Mørck in gevecht met ziektekiemen
'Hier veranderde de gezichtsuitdrukking van de man met maar één enkele rimpel van redelijk zelfvoldaan naar ongelooflijk alert.
Als je geen jarenlange ervaring had zou je het niet merken, maar Carl zag het.'
Ambtenaren die in een kelderverdieping huizen, kom je in het echte leven ook wel eens tegen. In dit vierde deel uit de Serie Q opereren Carl Mørck en zijn helper Assad nog steeds vanuit een ondergrondse ruimte. Dat enigszins afgesneden deel van het politiebureau staat voor de eigengereidheid van de brigadier die, zoals veel originele geesten, maar één weg wil gaan: de zijne!
Assad, die het moet stellen met de bezemkast, is bijna even eigenwijs. Zijn quasi naïeve replieken, die voor leuke één-tweetjes met zijn chef zorgen, geven te kennen dat hij niet onder één hoed te vangen is. Het is een man die op kousenvoeten komt maar dodelijk effectief kan zijn... en niet om een klusje maalt dat het daglicht schuwt. Zijn Syrische achtergrond, gekoppeld aan een risicovol verleden, maken van hem een steeds actuelere figuur. Jussi Adler-Olsen bouwt dit personage, deel per deel, langzaam op. Benieuwd of de auteur in de volgende delen het Assad-regime een prominentere rol zal laten spelen...
Knorrige Mørck-repliek:
‘Stoor ik?’
Hoewel teamchef Mørck blaft en spot, laten Assad, ('een kop gevuld met dromedariswol'), en assistente Rose, ('de zwartgeverfde pierlala'), zich niet uit het lood slaan. Vaak zijn zij het die, dankzij hun intelligentie en vasthoudendheid, hun overste sturen in plaats van omgekeerd. En misschien vindt hij dat stiekem wel prettig want het heilige vuur in hem heeft al menig emmertje water moeten slikken. Dat ondervindt hij ook nu weer. Een intern onderzoek naar de betrouwbaarheid van een politieman moet de ultieme nachtmerrie zijn van elke rechtgeaarde speurder. Die staat nog liever oog in oog met een vlindermes of een spijkerpistool dan moeilijk te counteren verdachtmakingen te moeten incasseren.
![]() |
| Landbouwgebied bij Ostrup © Stefan Martens |
De plot- en personagesbedenker van Dossier 64 heeft, naast zijn eigen aanleg voor luiheid, vooral zijn kennis van de psychiatrie (de vader van JAO was psychiater) en zijn geschoktheid ten aanzien van maatschappelijke misstanden in dit boek verwerkt. Uitgangspunt is een Deens eiland waar, nog tot een halve eeuw geleden, 'lichtzinnige' vrouwen geïnterneerd en gesteriliseerd werden. Wie zich niet schikte verdween in de strafcel. Vergelijkbaar met pest- of lepralijders uit de geschiedenis werden deze 'immorele' en 'asociale' meiden, die voor het gemak het etiket 'zwakzinnig' kregen opgekleefd, buiten de samenleving geplaatst. Dit mensonterende tafereel lijkt een uitwas van de calvinistische moraal die doet denken aan de sfeer van Siebelink's Knielen op een bed violen. Het perverse genieten van machtsmisbruik is natuurlijk van alle culturen.
Als je opgroeit zonder liefde komt het nooit meer helemaal goed. Nete, het romangezicht dat voor de gedupeerden model staat, moest het stellen zonder affectie én met bitter weinig kansen. Ze werd een speelbal van het lot tot ze besloot het lot naar haar hand te zetten. Dat deed ze met de hulp van bilzekruid, een giftige nachtschadeplant.
![]() |
| Bilzekruid ©
|
Adler-Olsen heeft dit sociale thema uitgebreid naar een politiek gedachtengoed waarin Untermenschen en uitsluiting gedijen. Voor zijn inspiratie heeft hij niet ver moeten zoeken. De rechtse (rechtser dan de Conservatieve en Liberale Partij), burgerlijk-conservatieve en populistische Dansk Folkeparti (Deense Volkspartij) was tien jaar lang gedoogpartij voor diverse regeringscoalities.
Ook 'De Zuivere Lijn', de fictieve politieke familie uit Dossier 64, vaart een harde koers, naar buiten maar ook intern. Het doel heiligt de middelen. Zo nodig worden medestanders gechanteerd of aangezet tot onmenselijke offers.
Ook in dit vierde deel pakt Adler-Olsen uit met een wervelende vertelstijl, dialogen die de tegenspeler geen schijn van kans geven, niet-alledaagse stijlbeelden, onvermoeibare tongue-in-cheek-humor en een dynamisch plot. De Mørck-reeks vraagt telkens weer om een vervolg.
Beeldende taal
'Iemand had de stop uit het hemelgewelf
getrokken...'
'... toen hij voorbijsnelde met de snelheid van een
toiletschoonmaker die overuren maakte.'
‘De liefde tussen de twee kon door vlindervleugels
tegen de grond worden gehouden.’
Maar wedden dat hij meer beroepsplezier beleefd heeft aan het bedenken van Nederlandse varianten voor het Assadiaanse taaltje. De inburgerende Syriër voelt zich 'snuiterig' i.p.v. 'snotterig', heeft het over een 'dronkenlapper' en een 'smeerlapper', zegt 'nadenkelijk' i.p.v. 'nadenkend', gooit het stopwoordje 'dus' midden in z'n zinnen...
Zonder dit soort ontmijnende humor zou Dossier 64 een donkere aaneenschakeling zijn van extreem ideeëngoed, sociale achterstand, dédain tegenover Jutlanders, illusieloze levens vol bitterheid. En zo hebben we het toch liever niet. De wereld moet een beetje verteerbaar blijven!
Quotering: ****½
Uitgegeven bij Prometheus - 2012



Geen opmerkingen:
Een reactie posten