'Je wordt duizelig als je je afvraagt hoe een mens
op één dag zijn naam, zijn leven
en dan ook nog zijn lijk kan kwijtraken.'
In
deze debuutroman wordt de zeggingskracht van de literaire grootheid nooit in
twijfel getrokken, wel zijn moraliteit. Dat het slachtoffer niet eens een naam
krijgt in het boek en zijn lijk geen regel krijgt toebediend, zit Daoud hoog.
Dé Arabier bestaat niet en lijken worden niet meegenomen door de zeebries. Het
is de hoogste tijd dat de vermoorde een naam en een gezicht krijgt. Daar zorgt de
ik-persoon uit Moussa of de dood van een
Arabier voor. Hij is namelijk zijn broer. Sneetje voor sneetje fileert hij
Meursault, die zijn mal de vivre op
een verwaande manier etaleert. De ethische schuinsmarcheerder is jong, heeft een vaste baan en een
vriendin. Meursault is de excuus-moordenaar, een blasé-figuur naast wie het lot
van de verpauperde Algerijnse bevolking schril afsteekt.
![]() |
| Algiers, Place des Martyrs & Casbah © Ludovic Cortes |
In een
volkscafé bij de kust voert de auteur een ménage
à trois op. Terwijl de geest van Camus, de schim met het hoge voorhoofd en
de onafscheidelijke sigaret, ergens aan een tafeltje zit, gutst onrecht en
vernedering uit de ziel van Moussa’s broer. ‘Gevoelens verouderen langzaam,
niet zo snel als je huid,’ weet de bejaarde achterblijver. Zijn klankbord is
‘een academisch rechercheur’, een man voor wie Camus een held is en die De vreemdeling als een fetisj in zijn
aktetas draagt. Terwijl niemand om hen maalt, hebben de nabestaanden levenslang
gekregen. Ze zijn veroordeeld tot dolen en gekmakende onrust. ‘De zee vertelde
ons niets en mama bleef aan de waterlijn zitten alsof ze zich over een graf
boog’, zo verwoordt de stamgast de wanhopige zoektocht van de moeder naar haar
dode zoon. Alles
wat hen rest zijn initialen in een krant. En alsof die vloek nog niet groot genoeg is, ‘kan de dood zich
vermommen als wraak’.
In het
café wordt niet alleen koffie maar ook wijn geschonken. Met het frequenteren
van dit haram-oord maak je salafisten
niet blij. Als je daarbij nog van leer trekt tegen de religie en de moskee,
haal je je een fatwa op de hals. Oprispingen
als ‘de wijkmoskee die je het zicht op god ontneemt’ en ‘Waarom zou je achter
een vader aanrennen die nog nooit een voet op aarde heeft gezet?’ hebben ertoe
geleid dat Kamel Daoud met politiebewaking door het leven moet. Ook over de
onmachtige overheid zwijgt hij niet. In de straten lopen armoedige kinderen en
chagrijnige politieagenten rond. Hun horizon bestaat uit kapotte glijbanen, vieze
trappen en zwerfvuil. En die zijn niet op het conto te schrijven van de intussen
uit het land verdreven Meursaults. Daoud is een man van zijn tijd die kritisch
terugblikt maar ook hedendaagse hoofdrolspelers scherp in het oog houdt.
![]() |
| Albert Camus... met de eeuwige sigaret in de mond |
Deze essayistische roman vraagt, zin na zin, om een reflectie over inhoud en taalesthetiek.
Hier voeren twee ‘vreemdelingen’ een ingenieuze pas-de-deux uit, de ene is de weg in de wereld kwijt, de andere in
zijn eigen leven. In dit
verhaal over de troost van verbeelding en creatieve vormgeving rijgt de
auteur uit Oran schijnbaar moeiteloos de ene parelende frase aan de andere.
'Hij
schrijft zo goed dat zijn woorden op eindeloos uitgehakte stenen lijken’, zegt
de verteller over Albert Camus. Dat erelintje verdient Kamel Daoud evenzeer. Met Moussa of de dood van een Arabier heeft
dit jonge monument zijn voet met verve naast die van het Franse icoon geplaatst.
Daarmee heeft hij ook het koloniale onevenwicht, dat nog resoneert in het nu,
met terugwerkende kracht een zet in de juiste richting gegeven! En, wie weet,
heeft hij met deze meesterproef het fundament gelegd voor een Algerijnse
Nobelprijs!
Quotering: *****
Uitgegeven
bij Ambo Anthos – 2015



Geen opmerkingen:
Een reactie posten